Ik hoef niets in mij meer tot vijand te maken om mezelf te mogen zijn

Over bescherming, innerlijke tegenpolen en de weg van fragmentatie naar heelheid

Sommige eigenschappen die we het meest aan onszelf waarderen, zijn niet alleen eigenschappen.
Soms zijn ze ook bescherming geworden.
Sterk zijn. Onafhankelijk zijn. Altijd doorgaan. Positief blijven. Voor anderen zorgen. Alles zelf oplossen. Begrijpen. Presteren. Controle houden.
Het kunnen prachtige menselijke kwaliteiten zijn. En tegelijkertijd kunnen ze ergens onderweg een tweede functie hebben gekregen: voorkomen dat we iets anders hoeven te voelen.
Dan verandert:
Ik kan sterk zijn.
bijna ongemerkt in:
Ik moet sterk zijn.
En onder die zin ligt vaak nog een andere:
Want ik mag absoluut niet zwak zijn.
Daar begint een interessante beweging in de menselijke psyche.
Wanneer een kwaliteit een harnas wordt
Bescherming ziet er niet altijd uit als vermijden, vluchten of jezelf klein maken.
Soms ziet bescherming er indrukwekkend uit.
Ze bouwt een carrière. Ze zorgt voor iedereen. Ze lost problemen op. Ze houdt haar hoofd koel. Ze staat iedere keer weer op.
Van buitenaf noemen we dat kracht.
En misschien is het kracht.
Maar de belangrijkere vraag is niet of een eigenschap goed of slecht is.
De vraag is:
Ben ik vrij om haar niet te hoeven zijn?
Kan ik sterk zijn én instorten?
Zelfstandig zijn én iemand nodig hebben?
Liefdevol zijn én iemand teleurstellen?
Toegewijd zijn én falen?
Hoop voelen én diep verdriet toelaten?
Wanneer één kant van onszelf noodzakelijk wordt om de andere kant niet te hoeven ontmoeten, verandert een kwaliteit langzaam in een beschermende identiteit.
Niet:
Ik heb kracht.
Maar:
Ik ben degene die sterk is.
En daarmee ontstaat bijna vanzelf een tweede categorie:
Dit ben ik niet.
De andere kant van de medaille
Carl Jung zag de menselijke psyche niet als een eenvoudig, eenduidig geheel.
We ontwikkelen een bewuste identiteit, terwijl eigenschappen, impulsen, behoeften en gevoelens die daar moeilijk mee verenigbaar zijn minder bewust kunnen worden of in de schaduw terechtkomen.
Jung beschreef bovendien een verschijnsel dat hij enantiodromia noemde: de neiging van een sterk eenzijdige psychische houding om uiteindelijk haar tegenovergestelde te activeren.
Hoe noodzakelijker het wordt om sterk te zijn, hoe bedreigender machteloosheid kan worden.
Hoe noodzakelijker het wordt om goed te zijn, hoe ondraaglijker eigen boosheid of egoïsme kan voelen.
Hoe sterker iemand zich identificeert met onafhankelijkheid, hoe meer lading afhankelijkheid kan krijgen.
Hoe meer iemand uitsluitend in het licht probeert te leven, hoe moeilijker de eigen duisternis te verdragen kan worden.
We denken vaak dat we steeds verder verwijderd raken van de pool die we afwijzen.
Psychologisch kunnen we er juist steeds sterker aan gebonden raken.
Want wanneer ik koste wat kost géén slachtoffer mag zijn, bepaalt het slachtofferschap dat ik afwijs nog steeds mede hoe ik moet leven.
Wanneer ik absoluut niet zwak mag zijn, ben ik niet volledig vrij in mijn kracht.
Mijn kracht heeft dan een taak gekregen:
houd mij weg van de andere kant.
De medaille omdraaien is nog geen vrijheid
Persoonlijke ontwikkeling wordt soms voorgesteld alsof we slechts van de verkeerde naar de juiste kant moeten bewegen.
Van angst naar vertrouwen.
Van verdriet naar vreugde.
Van slachtoffer naar kracht.
Van onzeker naar zelfverzekerd.
Van donker naar licht.
Maar wat als vrijheid niet aan één van beide kanten van de medaille ligt?
Wat als vrijheid ontstaat wanneer we ontdekken dat we de hele medaille mogen neerleggen?
Niet omdat kracht en kwetsbaarheid verdwijnen.
Maar omdat geen van beide nog hoeft te bepalen wie we zijn.
Ik kan kracht ervaren zonder De Sterke te moeten zijn.
Ik kan machteloosheid ervaren zonder een slachtoffer te worden.
Ik kan verdriet voelen zonder een verdrietig mens te zijn.
Ik kan iemand nodig hebben zonder mijn autonomie kwijt te raken.
Ik kan boos zijn zonder mijn liefde te verliezen.
De tegenstelling verdwijnt niet.
De identificatie ermee verzacht.
Dat is iets anders.
Wat beschermt de beschermer?
Internal Family Systems (IFS), ontwikkeld door Richard Schwartz, biedt hiervoor een andere taal.
Binnen IFS wordt de psyche benaderd als van nature meervoudig: we kennen verschillende innerlijke delen of parts. Dat is op zichzelf geen stoornis of teken dat iemand beschadigd is.
Sommige delen krijgen echter beschermende rollen.
Een deel leert sterk te zijn.
Een ander perfectionistisch.
Een ander zorgt dat iedereen tevreden blijft.
Een ander analyseert alles voordat het gevoeld kan worden.
Een ander houdt mensen op afstand.
De interessante vraag is dan niet:
Hoe kom ik van dit deel af?
Maar:
Waar probeert dit deel mij tegen te beschermen?
Wat denkt het dat er gebeurt wanneer het stopt?
Wat zou ik voelen wanneer het heel even niet zo hard hoefde te werken?
Dat verandert onze verhouding tot coping fundamenteel.
De perfectionist is niet langer de vijand.
De pleaser is niet verkeerd.
De controleur hoeft niet vernietigd te worden.
En ook De Sterke hoeft niet weg.
Misschien heeft zij jarenlang iets gedragen waarvoor op dat moment geen andere mogelijkheid beschikbaar leek.
Soms wordt pas wanneer zo’n bescherming verzacht voelbaar hoeveel pijn erachter aanwezig was.
Dat kan verwarrend zijn.
We laten iets los waarvan we dachten dat het ons beperkte en voelen ons aanvankelijk niet vrijer, maar verdrietiger, angstiger of kwetsbaarder.
Dat betekent niet noodzakelijk dat het loslaten verkeerd gaat.
Het kan betekenen dat we eindelijk in contact komen met iets waarvoor de bescherming al die tijd heeft gestaan.
Van fragmentatie naar integratie
Woorden als fragmentatie, dissociatie, splitting en parts worden gemakkelijk door elkaar gebruikt, terwijl ze binnen de psychologie verschillende betekenissen hebben.
Niet iedere beschermingsstrategie is dissociatie. Niet iedereen die innerlijke delen ervaart, is psychisch gefragmenteerd. En het bestaan van tegenstrijdige kanten in onszelf is volkomen menselijk.
Toch is fragmentatie als bredere metafoor betekenisvol.
Er kunnen ervaringen ontstaan die we niet goed in ons bewuste zelfbeeld kunnen opnemen.
Ik ben liefdevol, dus mijn woede mag er niet zijn.
Ik ben sterk, dus mijn hulpeloosheid past niet bij mij.
Ik ben onafhankelijk, dus mijn verlangen om gedragen te worden moet weg.
We hoeven die ervaringen niet letterlijk kwijt te zijn om het contact ermee te verliezen.
Heelwording vraagt daarom niet noodzakelijk dat we iets nieuws aan onszelf toevoegen.
Soms vraagt het dat we stoppen met buitensluiten wat er al was.
Jung noemde die beweging individuatie
Voor Jung was psychologische ontwikkeling niet simpelweg het perfectioneren van de bewuste persoonlijkheid.
Het ging om individuatie: een steeds bewustere verhouding tot de totaliteit van de psyche.
Niet alleen het licht.
Ook de schaduw.
Niet alleen de eigenschappen waarmee het ego zich graag identificeert.
Ook datgene waarvan het ooit zei:
Dat ben ik niet.
Het doel is daarbij niet om iedere impuls uit te leven of ieder gedrag goed te keuren.
Inclusie is niet hetzelfde als toestemming.
Ik kan mijn woede erkennen zonder iemand te beschadigen.
Ik kan mijn jaloezie voelen zonder haar te volgen.
Ik kan mijn machteloosheid toelaten en tegelijkertijd verantwoordelijkheid nemen.
Ik kan erkennen dat mij iets is aangedaan zonder mijn identiteit te bouwen rondom slachtofferschap.
Heelheid betekent niet dat alles wat in mij leeft het stuur krijgt.
Het betekent dat steeds minder van wat in mij leeft verbannen hoeft te worden.
De gave die gevangen zat in de bescherming
En dan gebeurt er iets bijzonders.
Wanneer een beschermende identiteit haar extreme taak niet meer hoeft uit te voeren, hoeft haar kwaliteit niet te verdwijnen.
Misschien komt die kwaliteit juist vrij.
De Sterke hoeft niet meer te bewijzen dat zij nooit iemand nodig heeft.
Wat overblijft is kracht.
De Pleaser hoeft niet langer afwijzing te voorkomen.
Wat vrij kan komen is zorgzaamheid en verbinding.
De Perfectionist hoeft eigenwaarde niet langer te bewaken.
Wat overblijft kan toewijding en vakmanschap zijn.
De Controleur hoeft niet ieder mogelijk gevaar vóór te zijn.
Wat vrij kan komen is onderscheidingsvermogen en leiderschap.
Hyperonafhankelijkheid hoeft verbinding niet langer buiten te houden.
Wat overblijft is autonomie.
Daarom is misschien een van de mooiste vragen die we onze beschermers kunnen stellen:
Welke gave zit er gevangen in jouw bescherming?
Niet worden wie je zou moeten zijn
Ook buiten de moderne psychologie duikt deze beweging steeds opnieuw op.
Winnicott onderzocht hoe een aangepast zelf het kwetsbare, spontane zelf kan beschermen.
Viktor Frankl schreef vanuit een andere traditie over de innerlijke ruimte waarin een mens zich kan verhouden tot zijn ervaring en opnieuw keuze kan vinden.
Contemplatieve en boeddhistische tradities onderzoeken wat er verandert wanneer we niet langer volledig samenvallen met iedere gedachte, emotie of identiteit die verschijnt.
En Nietzsche maakte de oude paradox beroemd:
Word wie je bent.
Misschien hoeven we die zin niet te begrijpen als een opdracht om ergens een ideale, authentieke versie van onszelf te vinden.
Misschien worden we wie we zijn door steeds minder te hoeven zijn wie we ooit dachten dat we moesten zijn.
Inclusie van alles
Daar ligt een andere vorm van vrijheid.
Niet:
Ik voel geen angst meer.
Maar:
Angst mag bestaan zonder mijn leven te worden.
Niet:
Ik ben nooit meer slachtoffer.
Maar:
Ik kan erkennen waar ik machteloos ben geweest zonder mijn agency in het heden op te geven.
Niet:
Ik heb mijn beschermers overwonnen.
Maar:
Ik begrijp waarom ze zijn gekomen en ze hoeven niet langer alles voor mij te dragen.
Niet:
Ik heb mijn schaduw achter me gelaten.
Maar:
Ook wat ik liever niet over mezelf wist, mag binnen mijn bewustzijn bestaan.
Misschien is dat uiteindelijk wat integratie betekent.
Niet dat alle tegenstellingen verdwijnen.
Niet dat we ergens precies in het midden eindigen.
Maar dat ons bewustzijn ruim genoeg wordt om meer van de menselijke ervaring te dragen zonder één ervaring tot onze volledige identiteit te maken.
Sterk én kwetsbaar.
Autonoom én verbonden.
Licht én donker.
Verdriet én levenslust.
Grenzen én liefde.
Loslaten én verlangen.
Geen strijd om welke kant mag winnen.
Geen nieuwe ideale identiteit waaraan we moeten voldoen.
De medaille hoeft niet langer om onze nek te hangen.
We mogen haar neerleggen.
En misschien ontdekken we dan iets wat al die tijd onmogelijk leek:
Ik hoef niets in mij meer tot vijand te maken om mezelf te mogen zijn.
Niet omdat alles wat ik doe goed is.
Niet omdat iedere overtuiging waar is.
Niet omdat iedere impuls gevolgd moet worden.
Maar omdat ik niets hoef te verbannen voordat ik bereid ben ernaar te luisteren.
Alles mocht ooit ontstaan.
Niet alles hoeft voor altijd aan het stuur te blijven.
Dat is geen overwinning van licht op donker.
Het is geen overwinning van kracht op kwetsbaarheid.
Het is inclusie.
En misschien begint precies daar werkelijke innerlijke vrijheid.




Opmerkingen